← Table of contents
De republiek van Plato

Note 158 — TIENDE BOEK.

D. (Dionijs) Burger translation

Als dit oordeel de kunst in het algemeen moet treffen, is het niet van onbillijkheid vrij te pleiten. Dan oordeelt Cicero billijker, als hij zegt: «toen die kunstenaar (Phidias) het beeld van Jupiter of Minerva maakte, aanschouwde hij niemand, wiens gelijkenis hij uitdrukte; maar in zijnen geest huisvestte eene uitstekende idee van schoonheid, in wier beschouwing hij zich verdiepte, om overeenkomstig met haar de werkzaamheid zijner handen te besturen,» Orat. § 9. Plato’s oordeel te dezer plaatse is wel juist, als schilders, beeldhouwers, dichters, enz. geen hooger standpunt kiezen, dan hij hier veronderstelt; maar de ware kunstenaar zal toch met zulk een laag standpunt niet tevreden zijn. Ik meen het er echter voor te mogen houden, dat Plato het bestaan van dat hoogere standpunt erkende, zoo omdat hij hier altijd van nabootsende kunst, niet van kunst in ’t algemeen spreekt, als omdat hij Boek VI. Hoofdst. I., diegenen blind noemt, die niet in staat zijn als schilders het waarachtige origineel bij het maken van wetten tot voorbeeld te nemen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings