Note 16 — Oost-Banda en Patagonië.
J. Brandt translation
In diep water, ver van het land, is het aantal levende wezens uiterst gering; zuidelijk van 35° breedte, kon ik nooit iets anders vangen dan eenige beroë,16 en enkele kleine soorten Entomostraca.17 In meer ondiep water, op enkele mijlen afstand van de kust, treden vele soorten Crustacea benevens eenige andere dieren in groot aantal op, doch alleen gedurende den nacht. Tusschen 56° en 57° breedte, ten zuiden van Kaap Hoorn, werd het net verscheidene keeren achter uitgeworpen; maar nooit bracht het iets anders boven dan enkele exemplaren van twee uiterst kleine soorten Entomostraca. Niettemin zijn walvisschen en robben, Petervogels (Thalassidroma pelagica)18 en albatrossen overal in dit deel van den oceaan zeer overvloedig. Het is voor mij altijd een raadsel geweest, waarvan de albatros, die ver van het strand leeft, bestaan kan; ik vermoed, dat hij, evenals de Condor, lang kan vasten, en dat één goed maal aan het lijk van een rottenden walvisch voor langen tijd genoeg is. De midden- en tusschenkeerkrings-gedeelten van den Atlantischen Oceaan wemelen van Pteropoda, Crustacea en Radiata; van hunne verslinders, de Vliegende Visschen (Exocoetus volitans); en eindelijk van de verslinders van deze, de Bonitos en Albicoros.19 Ik veronderstel, dat de talrijke lagere pelagische dieren zich voeden met de Infusoria, die, zooals nu uit Ehrenberg’s onderzoekingen bekend is, overvloedig in volle zee voorkomen. Maar waarvan leven deze infusoria in het heldere blauwe water?