Note 11 — Noord-Chili en Peru.
J. Brandt translation
Toen ik te Lima was, besprak ik dit onderwerp met den civiel-ingenieur Gill, die veel van het binnenland gezien had.11 Hij vertelde mij, dat de onderstelling aangaande eene klimaatverandering somtijds bij hem was opgekomen; maar dat hij dacht, dat het grootste deel van het land, hetwelk nu ongeschikt voor cultuur doch met Indiaansche ruïnen bedekt is, tot dezen staat was vervallen, doordien waterleidingen, die de Indianen voorheen op zulk eene grootsche schaal hadden aangelegd, door verwaarloozing en onderaardsche bewegingen beschadigd waren geworden. Ik wil hier opmerken, dat de Peruanen werkelijk hunne bewateringstroomen door tunnels leidden, die zij door harde steenen bergen groeven. Mr. Gill vertelde mij, dat hij ambtshalve geroepen was er een te onderzoeken; de tunnel was laag, smal, gebogen en ongelijk van breedte, maar bezat eene zeer aanzienlijke lengte. Is het niet hoogst verwonderlijk, dat menschen zulke werken hebben ondernomen, zonder het gebruik van ijzer of kruit? Ook vertelde Gill mij een zeer belangwekkend en, voorzoover ik weet, geheel ongeëvenaard geval, dat eene onderaardsche storing de waterafvoer van een land gewijzigd had. Op reis van Casma naar Huarez (niet ver van Lima) vond hij eene vlakte, bedekt met puinhoopen, maar niet geheel onvruchtbaar. Dicht daarbij was de droge bedding eener belangrijke rivier, waardoor het bevloeiingswater voorheen was aangevoerd. Uiterlijk vertoonde het rivierbed alle kenteekenen, dat de stroom hier vóór enkele jaren gevloeid had; op sommige plaatsen waren zand- en keisteenlagen gespreid; elders was het vaste gesteente tot een breed kanaal uitgehold, dat op ééne plek omstreeks 40 yards breed en 8 voet diep was. Het is wel duidelijk, dat iemand, die een stroomloop opwaarts volgt, altijd onder eene meer of minder groote helling zal stijgen. Men kan zich dus de verwondering van Gill voorstellen, toen hij de bedding dezer oude rivier opgaande, plotseling ontdekte, dat hij eene hoogte afging. Hij onderstelde, dat deze dalende glooiing een loodrechten val had van omtrent 40 of 50 voet. Hier hebben wij dus een ondubbelzinnig bewijs, dat schrijlings over eene oude stroombedding een rif of rotskam omhoog is geheven. Van af het oogenblik, dat het rivierbed aldus gewelfd werd, moest het water noodzakelijk wegvloeien en zich een nieuw kanaal graven. Maar tegelijk moest ook de naburige vlakte haar vruchtbaar makenden stroom verliezen, en eene woestijn worden.