Note 3 — Noord-Chili en Peru.
J. Brandt translation
De oude onderliggende tertiaire formatie te Coquimbo schijnt ongeveer van gelijken ouderdom te zijn, als verschillende afzettingen op de kust van Chili (waarvan die te Navidad de voornaamste is), en als de groote Patagonische formatie. Zoowel te Navidad (Prov. Antofagasta) als in Patagonië blijkt, dat sinds den tijd toen de daar begraven schelpdieren leefden,3 het land verscheidene voeten onder zee gezonken, en vervolgens weer gerezen is. Terecht mag men vragen, hoe het komt, dat, ofschoon aan weerszijden van het vasteland geen uitgestrekte afzettingen met ingesloten versteeningen bewaard zijn, noch uit het Quartaire Tijdvak, noch uit eene periode tusschen de quartaire en de oude tertiaire formaties, er toch in deze oude tertiaire formatie sedimentaire stof met ingesloten versteende overblijfsels, afgezet en bewaard is op verschillende punten in noordelijke en zuidelijke richtingen, over eene uitgestrektheid van 1100 mijlen aan de stranden van den Stillen en minstens 1350 mijlen aan die van den Atlantischen Oceaan, en bovendien van 700 mijlen in oost-westelijke richting door het breedste gedeelte van het vasteland. Ik geloof, dat de verklaring niet moeilijk, en misschien op ongeveer gelijksoortige, in andere hoeken van de wereld waargenomen feiten toepasselijk is. Het buitengewone denudatie-vermogen, dat de zee bezit en hetwelk door tallooze feiten bewezen wordt, in aanmerking genomen, is het niet waarschijnlijk, dat eene uit zee geheven sedimentaire afzetting de werking der golven zóó kon doorstaan, dat ze in voldoende hoeveelheid bewaard bleef om tot een ver tijdperk te duren—tenzij die afzetting oorspronkelijk eene groote uitgestrektheid en eene aanzienlijke dikte bezat. Nu is het onmogelijk, dat op een betrekkelijk ondiepen bodem, die voor de meeste levende wezens de eenige gunstige is, eene dikke en vèrstrekkende sedimentaire laag kon worden uitgespreid, tenzij die bodem zonk om de achtereenvolgende lagen op te nemen. Dit schijnt werkelijk omstreeks hetzelfde tijdperk in Zuid-Patagonië en Chili te hebben plaats gehad, hoewel deze streken duizend mijlen van elkander liggen. Derhalve, indien langdurige, ongeveer tegelijktijdig plaats hebbende zinkende bewegingen in ’t algemeen een uitgestrekt gebied omvatten—zooals ik op grond van mijn onderzoek van de koraalriffen der groote oceanen zeer geneigd ben te gelooven: of indien—wanneer wij ons overzicht tot Zuid-Amerika bepalen—de dalende bewegingen even omvangrijk zijn geweest als de rijzende, waardoor in hetzelfde tijdperk van levende schelpdieren de stranden van Peru, Chili, Vuurland, Patagonië en La Plata omhoog zijn geheven—dan kunnen wij zien, dat tegelijktijdig op ver verwijderde punten de omstandigheden gunstig zouden geweest zijn voor de vorming van uitgestrekte fossielenhoudende afzettingen van aanzienlijke dikte; en zulke afzettingen zouden bijgevolg eene goede kans hebben gehad, om de sloopende en knagende werking van achtereenvolgende strandvloeden te weerstaan, en tot een later komend tijdperk te duren.