Note 1 — Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.
Reading edition
In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen, ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat in een “brief” of “kaart,” werden meestal aan de goedkeuring van den Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De stad ’s-Gravenhage was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de Hofbuurt (Binnen-, Buitenhof en Hofsingel) en de Illustre Parelbuurt (Voorhof en Vijverberg) de voornaamste in rang waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo bevatten de Hofbuurt en Parelbuurt twee vereenigingen: die voor Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten, b. v. het Voorhout, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een voor ongehuwden, Jonkmansbuurt genaamd. Aan het hoofd van elke buurt stond een bestuur, “officier en regenten der Buurt” geheeten, hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel “President van de Buyrte” genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam van “vredemakers” droegen) en één Secretaris (die in de Hofbuurt den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder andere de Hoogstraat, haren advocaat. De deelneming als lid der buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn, en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had, als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten1, ƒ 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis, en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw “smeet ofte sloeg, dat daar een straatgerucht uit voortquam” verbeurde een vette ham of ten minste ƒ 3 (in andere buurten ƒ 1.50), voor het “kyven met anderen in de buyrt” 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging ƒ 1.50, slaan ƒ 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men 24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze betaalde daarvan den dragers ƒ 1 of meer en stortte het overige in de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching, waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd2.