← Table of contents
De Prins en Johan de Witt

Note 1 — Een dure slaapkameraad.

Reading edition

In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met de begrafenis, en wat hun verder te doen stond om de zaken van hun overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie’s man met Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo trok de stoet de Spuistraat, Vlamingstraat en Schoolstraat door, tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf, dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten, en de stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst, bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het “begrafenismaal” gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men daarmede den overledene eer bewees,—een treurig overblijfsel van de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging, die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was, als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig dat die “begrafenismalen” in de steden althans1 zijn afgeschaft.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings