Note 2 — Tiende Hoofdstuk.
Reading edition
“Dan, om ’t even!” vervolgde deze, terwijl hij zonder de beweging des Barons op te merken, het vertrek met groote schreden op en neder ging: “wat zou ik klagen, wat mij bekommeren! Moet ik mij niet verheugen, als de Apostelen deden, zoo ik om Zijnentwille smaadheid lijde?—Is er niet geschreven, dat de geloovigen zouden vervolgd en gemarteld worden? En moet niet de Kerk van Christus in het bloed der Heiligen gegrondvest worden? Maar niet vergeefs zal Rachel haar vermoorde kinderen beweend hebben, en niet vruchteloos zal het geschrei te Rama op de straten gehoord zijn! Hij zal komen, de groote dag, die Israël van zijn verdrukking bevrijden zal: de dag, waarop de afgedwaalde schapen door den Eenigen Herder tot den stal zullen worden teruggeroepen en dat de ketterij zal uitgeroeid worden over den aardbodem, ut in nomine Jesu flectatur omne genu coelestium, terrestrium et infernorum!”2