← Table of contents
De Pleegzoon

Note 1 — Negen-en-twintigste Hoofdstuk.

Reading edition

“Ik meen van ja, Jan Doodeklok!”1 zeide de sjouwerman; (want hooger in rang scheen de geleider der beide vluchtelingen niet te wezen;) “Mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot dezen wendende: “Ik groet u. Deze man zal u verder brengen waar gij wezen moet.” Met deze woorden en zonder antwoord of dank te wachten, keerde hij zich om en haastte zich weg, Joan en Hendrik overlatende aan de zorg der zoogenaamde Doodeklok, die, met een beleefde buiging, doch zonder den mond te openen, een nauw gangetje insloeg, aan welks einde een deur was, welke op zijn tikken geopend werd. Dan nauwelijks wilden de vluchtelingen binnengaan toen zij achter zich de vlugge voetstappen hoorden van iemand, die hen in het gangetje gevolgd was. Reeds sidderde Raesfelt op de gedachte, dat hun ontkoming verraden ware: reeds had Joan de haan van zijn pistool overgehaald, gereed op tegenweer, toen de nieuwaangekomene het liedje afbrak dat hij binnensmonds neuriede, en, de Doodeklok gemeenzaam op den schouder tikkende, vroeg of de vromen al vergaderd waren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings