Note 1 — II. OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT. I. EDELHART.
Reading edition
»Krijgslieden, ik dank den Meester des levens daarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.”1