Note 1 — XIV. DE STRAF.
Reading edition
»Hoofden en krijgslieden der Comanchen, en gij, blanke jagers, mijne broeders,” zeide hij met eene zachte en treurige stem, »de woorden van den eerwaardigen sachem zijn billijk; ongelukkig vordert de veiligheid der prairiën den dood der gevangenen. Dit uiterste is vreeselijk, maar wij zijn verplicht er ons aan te onderwerpen, zoo wij in vrede de vruchten van onzen ruwen arbeid plukken willen. Maar zoo wij ons al genoodzaakt zien, om de onveranderlijke wet der woestijn toe te passen, zoo laten we niet als barbaren te werk gaan, straffen wij omdat het moet, maar straffen wij als edele menschen, niet als wreedaards. Toonen wij aan deze bandieten, dat wij gerechtigheid uitoefenen, dat, zoo wij hen dooden, wij het niet doen om ons zelven, maar om de geheele maatschappij te wreken. Bovendien, hun hoofdman, de schuldigste onder hen, is gevallen onder de slagen van den Arendskop; laten wij edelmoedig zijn, zonder op te houden rechtvaardig te wezen. Laten wij aan hen de keuze van hunnen dood over. Geen nuttelooze foltering. De Meester des levens zal ons toelachen, hij zal tevreden zijn over zijne roode kinderen, en hun een goede jacht geven. Ik heb gezegd: heb ik wel gesproken, machtige mannen?”1