Note 1 — Vijfenveertigste Hoofdstuk
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De wachter, die post hield op den heuvel en het oog naar Birman gericht had, moet waarschijnlijk gedacht hebben dat hij droomde, toen hij de eerste beweging van ’t noodlottig boschje gadesloeg, dat tegen Dunsiane begon op te rukken1. Even zoo ging het den ouden Caxon, toen hij, op de rotspunt in zijne hut gezeten, zijne gedachten liet gaan over het naderend huwelijk van zijne dochter, en over de eer van den schoonvader van den luitenant Taffril te worden, en dus niet weinig verwonderd was, toen hij, toevallig een blik slaande op de baak waarnaar hij de zijne regelen moest, een licht in die richting ontdekte. Hij wreef zich de oogen, keek op nieuw, en regelde zijne waarneming naar een kruisstok, die op het eigenlijke punt gericht was. Nu vergrootte zich het licht voor zijne oogen, gelijk eene komeet voor die van den sterrekundige, en hij zag het „met vrees voor de ontroering der volkeren.”