← Table of contents
De oudheidkenner

Note 2 — Vijfde Hoofdstuk

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot, maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke veelbeteekenende gebaren uitpersen,2 of behendiger een gevaarlijken toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte, dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II, meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad van hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de onbeëedigde3 huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden, zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en toegenegen onderdaan van George III betoonde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings