← Table of contents
De oudheidkenner

Note 1 — Tiende Hoofdstuk

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Toen zij in de zoogenaamde groene kamer gekomen waren, plaatste Oldbuck den kandelaar op eene toilettafel, vóor een zeer grooten spiegel met een zwart Chineesch verlakten rand, omgeven van toiletdoosjes in denzelfden smaak, en keek eenigszins ontroerd rond. „Zelden,” zeide hij, „kom ik in dit vertrek, en nooit, zonder mij aan eene sombere droefgeestigheid over te geven; – niet opgewekt door de kinderachtige ongerijmdheden, waarvan Grizel u vertelde; maar voortspruitende uit eene vroegere ongelukkige neiging. – Het is in oogenblikken als deze, mijnheer Lovel, dat wij de veranderingen, door den tijd veroorzaakt, gevoelen. Wij hebben dezelfde voorwerpen vóór ons; – deze onbezielde dingen, waarop wij als eigenzinnige kinderen, als onstuimige jongelingen, als nadenkende en bedaarde mannen staarden, zijn en waren onveranderlijk; maar, wanneer wij ze in onzen kouden, gevoelloozen ouderdom aanschouwen, kunnen wij dan, – veranderd in onzen gemoedsaard, in onze neigingen, en in onze gewaarwordingen, – veranderd in onze gestalte, in ons uiterlijk, in onze krachten, – kunnen wij dan nog wel dezelfden genoemd worden? Of zien wij niet eerder met een soort van verwondering op ons vorig bestaan terug, als op dat van een ander wezen, onderscheiden van hetgeen wij nu werkelijk zijn? De wijsgeer, die zich van den beschonken Filippus op den nuchteren Filippus beriep, koos geen zoo verschillenden rechter, als wanneer hij zich van Filippus den jongeling op Filippus den grijsaard beroepen had. Onwillekeurig overmeestert mij de gewaarwording, zoo heerlijk uitgedrukt in een dichtstuk, dat ik heb hooren voorlezen:1

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings