← Table of contents
De oudheidkenner

Note 3 — Derde Hoofdstuk

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Er verliep, inderdaad, eenigen tijd, eer Lovel door den dikken dampkring onderscheiden kon, welk soort van hol zijn vriend tot zijn verblijf had uitgekozen. Het was een kamer met een hooge verdieping en van middelbare grootte, slechts verlicht door hooge en nauwe tralievensters. Het eene einde daarvan was geheel bezet met boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste boekdeelen, die daarom in twee en drie rijen achter elkander gedrongen stonden, terwijl ontelbare anderen over den vloer en op de tafels, tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, perkamentsnippers bundels papier, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken, helmen en Hooglandsche schilden verstrooid lagen. Achter den zetel van den heer Oldbuck (een oude met leder overtrokken armstoel, tamelijk afgesleten door lang gebruik,) stond een ongemeen groot eikenhouten kabinet, op welks hoeken Hollandsche cherubijnen met groote hoofden en scheeve troniën tusschen twee kleine, uitgespreide eendenvleugeltjes, pronkten. De bovenste kap was versierd met borstbeelden, Romeinsche lampen en offerschalen, waaronder ook een paar bronzen beelden prijkten. De muren van het vertrek waren gedeeltelijk behangen met afzichtelijke, oude tapijten, die het beroemde bruiloftsfeest van den Ridder Gaweine3 voorstelden, en waarbij men de leelijkheid van de bruid4 volkomen recht had laten wedervaren; ofschoon de Ridder, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, wat het gebrek aan schoonheid der dame betreft, minder reden tot klagen had, dan hem de dichter schijnt toegekend te hebben. Het overige gedeelte der kamer was beschoten met zwart eikenhout, waartegen twee of drie mannen-portretten in volle wapenrusting hingen, – Oldbuck’s lievelingshelden uit de Geschiedenis van Schotland, – en even zoo vele starende gezichten met pruiken en gegalonneerde rokken van zijn eigen voorouders. Een groote, ouderwetsche tafel was bedekt met een menigte papieren, perkamenten, boeken en allerhande kleinigheden, die zich door niets schenen aan te bevelen, dan door den roest en de oudheid, welke ze kenmerkte. Te midden dezer verwarde mengeling van oude boeken en gereedschappen, zat, ernstig als Marius op de puinhoopen van Karthago, een groote zwarte kat, die in het oog van een bijgeloovig mensch zeer goed den genius loci, den beschermgeest van het vertrek zou hebben kunnen voorstellen. De vloer, zoo wel als de tafel en alle stoelen was door hetzelfde mare magnum van oude vodden overstroomd, waaronder het even onmogelijk zou geweest zijn, eenig benoodigd artikel te vinden, als om het te gebruiken, wanneer men het gevonden had.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings