← Table of contents
De oudheidkenner

Note 1 — Derde Hoofdstuk

M. P. (Mark Prager) Lindo translation

Vijf dagen waren alzoo verstreken, toen hij, na de noodige berichten omtrent den weg ingewonnen te hebben, zich naar Monkbarns begaf, om er zijn opwachting te maken. Een voetpad, dat over een met hei begroeiden heuvel en door een paar weiden ging, bracht hem naar het huis, dat aan den anderen kant van den heuvel lag, en een fraai uitzicht had op den zeeboezem en de schepen. Afgescheiden van de stad door de hoogten, welke haar tevens tegen den noordwesten wind dekte, scheen de woning eenzaam en toch aangenaam gelegen te zijn. Uitwendig beloofde ze overigens weinig. Het was een onregelmatig, ouderwetsch gebouw, waarvan één gedeelte tot een afzonderlijke pachterswoning behoord had, die tot verblijf strekte van den rentmeester, toen het landgoed nog in het bezit der monniken was. Hier pleegden dezen vroeger het koren op te stapelen, dat zij in plaats van huur van hun pachters ontvingen; met een eigenaardige voorzichtigheid lieten zij al hun inkomsten in voortbrengselen van den grond betalen; en vandaar, zoo als de tegenwoordige eigenaar gaarne verhaalde, de naam van Monkbarns of „Monniksschuur”. De latere, wereldlijke bezitters hadden de overblijfselen van de voormalige rentmeesters-woning langzamerhand vergroot, naar mate de inrichting hunner huishoudingen dit medebracht; en daar deze achtereenvolgende bijvoegsels met even weinig achting voor de bouwkunde, wat het uiterlijke, als voor het gemak, wat het inwendige van het huis betrof, gemaakt waren, leverde het natuurlijk een zonderling, onregelmatig, bont geheel op, dat geleek op een gehucht, welks huizen, door de tooverklanken van een Amphion of een Orpheus plotseling aan het dansen geraakt, op eens vast aan elkander waren blijven staan. Het was omgeven door hooge, geschoren heggen van ijpen- en hulstboomen, waarvan er eenige nog van de bedrevenheid van den Topiarischen kunstenaar getuigden1, en wonderlijke leuningstoelen, torens in de gedaanten van St. Joris en den draak voorstelden. De smaak van den heer Oldbuck bracht mede, om deze overblijfsels van een thans vergeten kunst te bewaren, waartoe hij zich te meer geneigd voelde, daar het zeker den ouden tuinman het hart zou gebroken hebben, als men ze vernietigd had. Een groote, dichte hulstboom was intusschen aan de snoeischaar ontgaan, en het was onder diens schaduw, dat Lovel zijn ouden vriend vond, gezeten op een bank, met den bril op den neus en het brillenhuisje naast zich, aandachtig de Londensche courant lezende, terwijl het zomerkoeltje door de ruischende takken speelde, en men in de verte het bruischen der golven hoorde die op het strand braken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings