Note 5 — Derde Hoofdstuk
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
De heer Oldbuck nam deze kunstverzamelaars en hun buitensporige uitgaven niet tot voorbeeld; maar daar hij vermaak in den arbeid vond zelf zijn boeken te zoeken, spaarde hij zijn beurs ten koste van tijd en moeite. Hij was geenszins een aanmoediger van die doortrapte, peripatetische bemiddelaars, die zich als makelaars tusschen den onbekenden boekhandelaar en den gretigen liefhebber opwerpen, en ter zelfder tijd hun voordeel vinden bij de onwetendheid van den één, en de duur verkregen kunde en den smaak van den ander. Als men van dergelijke lieden in zijn bijzijn sprak, toonde hij gewoonlijk aan, hoe noodzakelijk het was, de voorwerpen zijner begeerte bij de eerste ontdekking in beslag te nemen, en verhaalde dan zijn lievelingsgeschiedenis van den Snuifneus-David en Caxton’s Schaakspel. – „David Wilson,” – „David Wilson,” zei hij, „in de wandeling genaamde Snuifneus-David, wegens zijn verslaafdheid aan zwarte rappé, won het allen af in het doorsnuffelen van donkere holen, kelders en stalletjes, waar zeldzame boeken te vinden waren. Hij had den neus van een speurhond, mijnheer, en was vasthoudend als een bulhond. Hij kon een oude ballade, in Gothische letter, uit een drom staatspapieren halen, en een editio princeps onder het masker van een schoolboek ontdekken. Snuifneus-David kocht het Schaakspel, 1474, – het eerste boek, dat in Engeland gedrukt werd, – in een Hollandsch winkeltje voor ongeveer drie stuivers. Hij verkocht het aan Osborn voor twintig pond sterling, en deze deed het weder aan Dr. Askew over voor zestig guinjes. Maar op de verkooping van Dr. Askew’s bibliotheek,” vervolgde de oude heer met steeds toenemend vuur, „blonk dit onschatbaar kleinood in zijn vollen luister uit, en werd door een koninklijken liefhebber zelven voor honderd-zeventig pond gekocht! Deed er zich nu slechts een exemplaar op!” riep hij, met een diepen zucht en gevouwen handen, uit: „God alleen weet, wat het gelden zou, en nochtans kreeg men het oorspronkelijke door kennis en navorsching, voor de geringe waarde van nog geen dubbeltje in handen! Gelukkige, dikwerf gelukkige Snuifneus-David! en gezegend de tijd, toen uw vlijt zoo mocht beloond worden!”5