Note 1 — VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: »En zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze—hoe zal ik haar noemen—verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man—wat vraagt zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het zand! Daar komt reeds de vette wentelaar1 aangezwommen, die zal wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen, die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen, van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!”