Note 1 — VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
In een helder verlichte, met kostbare Perzische tapijten behangen kamer noodigde Amr zijn gast uit, om het eenvoudig jagersmaal met hem te deelen en zich de Arabische gewoonten te laten welgevallen. En zoo nam Orion plaats op de eene zijde van den divan, terwijl op de andere de veldheer en zijn Wekil1 Obada, een Goliath met het zwarte gelaat van een Moor, naar de zeden huns volks meer hurkten dan zaten. De donkerkleurige reus verstond, zooals Amr zijn gast mededeelde, geen Grieksch en bracht slechts nu en dan iets in het midden, hetwelk de veldheer, als hij het noodig oordeelde, voor Orion vertaalde, en dezen beviel wat die zwarte tusschen het gesprek invlocht al even weinig als zijne geheele houding en verschijning. Obada was in zijn kindsheid een slaaf geweest en had zich door zijne eigene bekwaamheden weten op te werken tot den hoogen rang, dien hij thans bekleedde. Het eten, dat hij gulzig en op ruwe manier verslond, scheen hem geheel bezig te houden, en toch moest hij, die geen Grieksch verstond, het gesprek zeer goed kunnen volgen, gelijk bleek uit zijne opmerkingen. Wanneer hij opkeek van de schotels, die op lage tafeltjes voor de spijzenden geplaatst werden, om wat te zeggen, verdraaide hij zijne groote oogen zoo, dat men alleen het wit ervan zag; richtte hij ze echter op Orion, dan was het dezen of die kleine zwarte oogappels doordringende, brandende stralen schoten, en zeiden dat hij hem zeer kwalijk gezind was.