Note 1 — VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Bij het ontkleeden wees de kamenier haar op eene zieke dadel. De oppertuinman had haar die getoond, nadat hij heden middag had waargenomen, dat de plantenziekte ook hunne palmen had aangetast. Doch het meisje had weldra berouw over hare spraakzaamheid, want nadat zij er had bijgevoegd, dat de brave schoenmaker Anchhor, die haar eergisteren nog die nette sandalen gebracht had, nu ook aan de pest gestorven was, kreeg zij een bits bescheid en werd haar het zwijgen opgelegd. Terwijl zij voor Katharina knielde, om de sandalen van hare voeten los te maken, bleek deze toch haar verhaal niet onverschillig te hebben aangehoord, want zij vroeg of ook de aardige jonge vrouw van den schoenmaker door de pest was aangetast. De kamenier antwoordde dat zij nog leefde, doch men had de oude schoonmoeder en de kinderen in het huis opgesloten en ook de vensterluiken dichtgemaakt, nadat men het lijk van den man had uitgedragen. De bouleuten hadden bevolen, dat men overal zoo moest handelen, opdat de ziekte niet op straat komen of door de gezonden verder verbreid worden zou. Men bracht den opgeslotenen spijs en drank door eene opening in de deur, die telkens gesloten kon worden. Zulke maatregelen, voegde zij er bij, waren zeer wijs bedacht en verstandig. Doch zij had dit oordeel maar weder voor zich moeten houden, want voor zij geheel had uitgesproken gaf Katharina haar een trap met den voet. Vervolgens werd haar bevolen het smegma1 niet te ontzien en heur haren zoo goed mogelijk uit te wasschen. Dit geschiedde dan ook en Katharina wreef zich zelve handen en armen met hartstochtelijke inspanning. Daarop liet zij zich een en andermaal water over haar hoofd gieten, en nadat zij bevolen had hiermede op te houden, leunde zij ademloos en als uitgeput tegen het marmer.