Note 1 — TWAALFDE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Komt het dus daarop neer?” haastte hij zich te vragen, terwijl zijn gelaat weer ophelderde. »Is dat het wat u beangst, gij arm zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten, dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang, misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt, hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt: ‘Wilt gij de mijne zijn?’ en als het hart haar dit ingeeft, volgt zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten, als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders; zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer duren dan ons leven.—Nu kent gij de leer van onze meester Masdak, dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet mijn deel elders gaan zoeken. Ik blijf daarom toch Masdakiet1, en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u—u gaat dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen, braven man, wien het geheele land acht; voor wie daar in het oosten wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het, hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken.”