Note 1 — ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Daarop ging Alexander aldus voort: »Groote gunsten, medeburgers en vrienden, zijn alleen voor groote gaven te koop. Dat wisten de ouden, en wanneer de stroom, waarvan, gelijk wij maar al te goed weten, het algemeen welzijn of de algemeene ellende hier te lande afhangt, niet wilde stijgen, en het uitblijven van het wassen onheilen na zich sleepte van allerlei aard, zoo brachten zij hem een offer, dat zij voor het edelste hielden van alles wat de aarde draagt: eene reine, schoone jonkvrouw. Wat wij verwacht hadden gebeurt: hiervan schrikt gij! Ik hoor u morren, zie uwe verbaasde gezichten, en hoe zou de ziel van een christen geen afschuw hebben van zulk een offer! Maar is het dan zoo vreemd? Hebben wij inderdaad ooit anders gehandeld? Wie van ons richt zijn gebed niet tot den heiligen Orion, hetzij tehuis, hetzij onder bijstand der priesters in de kerk, wanneer hij van onzen heerlijken stroom een gave verwacht? En dit jaar hebben wij, als altijd in den nacht van den druppel, onder gebeden tot hem een kistje met een menschelijken vinger in de golven geworpen1. Dit kleine offer moest het meer kostbare en grootere der heidenen vervangen; het werd gebracht en zijne noodzakelijkheid is nooit in twijfel getrokken, en ook de strengste en heiligste lichten der kerk, een Antonius en Athanasius, een Theophilus en Cyrillus, hebben niets daartegen weten in te brengen; onder hunne oogen is het jaar aan jaar aan de golven prijsgegeven. Een vinger in een kistje! Een armzalige plaatsvervanger voor het schoonste en reinste, dat God schiep onder de menschen. Kan het ons verwonderen, indien de heilige eindelijk dit jammerlijke vergoedingsmiddel versmaadt, afwijst en voor zijn Nijl eens weder begeert, wat hem vroeger ten deel viel?