Note 2 — In den nacht tusschen den 25 en 26 Junij, 1792.
Reading edition
Alvoorens echter de hand daaraan te slaan, moeten wij nog een enkel woord zeggen van het loflijk gedrag onzer tijdgenooten omtrent de ongelukkige dorpelingen, wier haven en goed een prooi der vlamme geworden waren; onze beschrijving van den brand volgde te kort op het voorval zelf, dan dat wij toen reeds zouden hebben kunnen boeken, dat geen waarvan de tijd de juiste waarheid eerst moest openbaaren; wel wisten wij toen reeds, dat vooral onze stadgenoten hunne nijvere handen niet slooten voor de ongelukkigen; de faam verbreidde welhaast hun loflijk gedrag in deezen; dit tekenden wij ook aan; maar thans kunnen wij er meer bepaaldlijk, meer met zekerheid van spreeken; thans zijn wij overtuigd, dat het nakroost van Civilis getoond heeft, hoe het in hun charakter één der hoofdtrekken van ’t charakter eens rechtaarten Bataviers, nog bewaard heeft; dat vooral de Patriotten, in beantwoording van onze oprechte aanmaaning2, in deezen getoond hebben den naam van Vaderlanders zig tot eenen eernaam te rekenen; dat zij den ongelukkigen overtuigd hebben, waarlijk Patriotten te zijn; en zeker, Amstelveen lag te onuitwischbaar in hun hart en hoofd geprent, dan dat zij ongevoelig omtrent hetzelve zouden hebben kunnen weezen.