← Table of contents
De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Note 2 — In den nacht tusschen den 25 en 26 Junij, 1792.

Reading edition

Loflijk zeker kweeten zig zo wel de tot hulp aangekomen manschap, als de inwooners zelven, dan hun vermogen was niet toerijkende; het was reeds één uure na middernacht, toen de vlam het hevigst woedde, en zij werd niet gestuit voor dat 13 à 14 Wooningen, eenige Schuuren, een Kolfbaan, en aanzienlijk veele goederen tot assche verteerd waren: onder de afgebranden huizen telt men mede het Armehuis, waarin zo wel Lutherschen en Roomschen als Gereformeerden opgenomen worden2; in dat huis was nog voor slechts 3 weeken een meisjen van 9 jaaren oud besteed, het welk dit jammerlijk onheil met den dood heeft moeten bekoopen: nog te zeer vreemdeling in het huis zijnde, is zij, (zo gist men,) in ’t zelve verdwaald, en de vlam heeft haar verrascht; zij is onder de puinhoop van daan gehaald, geheel verbrand, en als zamengebraden; de voetjens waren gantschlijk verteerd, en de ingewanden lagen bloot: in dien jammerlijken staat is het deerelijk voorwerp, eenige dagen lang, in de Dorpskerk te zien geweest.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings