Note 1 — In den nacht tusschen den 25 en 26 Junij, 1792.
Reading edition
Intusschen kwamen, op het grouwzaam geluid der noodklok, die van Ouderkerk met de hun mogelijke hulp, toeschieten; ook kwam men van den kant van den Overtoom, met twee spuiten, door paarden getrokken, aan, met dien wel ijverigen, maar echter in dit geval te traagen spoed, welken de afstand en de moeielijkheid van den weg toelieten—de twee spuiten aan Amstelveen behoorende, waren nu wel aanmerkelijk versterkt, maar de vlam was intusschen te veel in woede toegenomen, om zig door zo gering eenen tegenstand te laaten bedwingen1; dezelve was nu reeds geweldig dat het scheen, het dorp was aan zijn jongste oogenblik genaderd: allertreffendst en hartbreekendst was het geschrei van weêrelooze vrouwen, en jammerende kinderen, die, als van zinnen beroofd, in hun schamel nachtgewaad door het dorp dwaalden, terwijl zij hunne geringe bezitting door het vuur zagen verteeren; ieder dak dat, nu van zijne binten ontbloot, ieder stuk branden hout dat nederstortte, deed de vlam op de akeligste wijze verheffen, en met het verheffen van de vlam werd ook het geschrei en gekerm heviger, terwijl men met luider stemme God om genade en bijstand bad.