Note 4 — IV. Geslachtsnamen volgens hunne aardrijkskundige verdeeling.
Reading edition
Onder de groningerlandsche ingezetenen zijn eenige mansvóórnamen in zwang, die, ja, wel by alle friesche volksstammen eveneens in gebruik zijn, maar dan toch in het westerlauersche Friesland veel zeldzamer voorkomen. Het zijn byna uitsluitend groningerlandsch-friesche vóórnamen, of algemeen-friesche vóórnamen in bepaald groningerlandsche formen, en de patronymika op s, n, en ns, van deze vóórnamen afgeleid, zijn dus ook, als geslachtsnamen, bepaaldelik aan Groningerland eigen. Reeds op bl. 102 en 107 zijn eenigen van deze soort van geslachtsnamen vermeld en verklaard geworden. Eenige anderen, die hooftsakelik aan de groningsche Ommelanden eigen zijn—al komen ze dan in de andere friesche gouen, vooral ook in de oostfriesche, ook wel voor—en die aan de groningsche geslachtsnamen in ’t algemeen eenen byzonderen stempel verleenen, zijn nog: Benes, Brongers (zie bl. 118 en 128), Brons en Bronts (zie bl. 51),4 enz. Dan, op n eindigende (zie bl. 99): Fekken, Heiken (zie bl. 107), Holken en Hölken,5 enz. En eindelik, op ns uitgaande—en dezen vooral zijn kenmerkend groningerlandsche namen: Addens, Alkens, Deddens,6 enz. Al deze namen zijn eenvoudig vadersnamen van friesche, en wel meest van groningerlandsch-friesche mansvóórnamen. Zy allen kunnen hier niet nader verklaard en besproken worden; slechts drie van elke groep wil ik daartoe nemen.