Note 18 — IV. Geslachtsnamen volgens hunne aardrijkskundige verdeeling.
Reading edition
Vele Israëliten namen in 1811 geslachtsnamen aan, ontleend aan den handel dien zy dreven, aan de betrekking die zy vervulden. Maar omdat onder de Joden velen zijn die betrekkingen vervullen, ambten bekleeden, handwerken uitoefenen welke onder de Christenen niet gebruikelik zijn, of slechts bepaaldelik aan hen zelven eigen zijn,—of ook omdat er onder de Joden handel gedreven wordt, vooral kleinhandel, straatventery, die eveneens slechts hen eigen is, zoo hebben de nederlandsch-joodsche geslachtsnamen ook daardoor veel eigenaardigs. Koster, Schoolmeester, De Boer zijn nog geslachtsnamen die zoo wel door Israëliten als door andere Nederlanders worden gedragen. Maar Vleeschdrager en Vleeskruyer, Vischschraper, Kleerkoper en Loteryman, Ossedryver, Augurkiesman en Komkommerman zijn namen slechts aan Joden eigen. Tot deze groep behooren verder nog Rabbi, Onderwyzer en Voorzanger,18 enz. Vele geslachtsnamen van nederlandsche Israëliten zijn ontleend aan de namen der waren waar in de lieden handel dreven, welke die namen in 1811 zich toeeigenden. Als voorbeelden noemen wy: Diamant, Parel, Paerl, Porcelein, Schaapwol, Citroen, Peper, Tabak, Carstanje, Komkommer, Augurkie, Eitje. De geslachtsnaam Lotery duidt ook nog een middel van bestaan aan, dat veel door Israëliten wordt waargenomen.