Note 56 — II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong.
Reading edition
§ 103. Als voorbeelden van friesche geslachtsnamen op stra eindigende, en aan algemeen-aardrijkskundige namen ontleend (tegenhangers dus der namen in § 71 vermeld), noem ik hier de volgenden: Bergstra, Bogtstra (van bocht of kromming in straat of weg), Broekstra (van broek, moeras; zie bl. 249), Damstra,56 enz. By velen dezer geslachtsnamen zijn de algemeen-aardrijkskundige woorden die er aan ten grondslag liggen, aan de byzonder-friesche, niet aan d’ algemeen-nederlandsche taal ontleend. Dit is het geval by Bartstra, van barte, het friesche woord voor vonder of vondel, een paar samengevoegde planken die tydelik over eene sloot liggen om als brug te dienen—ook een houten stoep of opstap aan en over het water. Dit woord wordt door de Friesen nagenoeg zonder r uitgesproken: van daar de geslachtsnaam Batstra. Het friesche woord voor oever, waterkant, is bird (men spreekt uit bud); de geslachtsnaam Budstra (Birdstra ware beter geschreven) is er aan ontleend; zoo mede de plaatsnamen de Bud of de Bird, een gehucht by ’t dorp Grou, Tjallebird, Luniabird, twee dorpen in Eangwirden, alle drie in Friesland, enz. Dit friesche woord wordt ook wel verhollandscht tot bert. Men schrijft bovengenoemde friesche dorpsnamen ook wel als Tjallebert, Luinjebert, en het maakt in dezen form deel uit van de dorpsnamen Middelbert, Lettelbert, die in de oud-friesche Ommelanden van Groningen voorkomen. De naam van het dorp de Beerta, in het groninger Oldambt, is ook al niet anders als dit oud-friesche woord voor waterkant of oever, en de groninger-friesche geslachtsnamen Beerta en Beerda zijn er aan ontleend. Aangaande dit woord bird leze men een opstel van myne hand »Friesche plaatsnamen”, in het Tijdschrift van het Nederlandsch aardrijkskundig Genootschap,—Nomina Geographica neerlandica—dl. I, bl. 76.