Note 47 — II. Geslachtsnamen, van aardrijkskundigen oorsprong.
Reading edition
Geenszins!—»In gen Esschenbroek” is geschreven zooals in die gouen tusschen Rijn en Mase gesproken wordt. In de verschillende nederfrankische tongvallen van deze landstreken (Limburg, het oude Overkwartier van Gelderland, het Land van Valkenburg, van Gulik en van Kleef, vooral ook te Aken en in d’ omstreken van die stad, en verder aan den Beneden-Rijn, te Bonn, Keulen, Dusseldorp) wordt de n, als sluitletter van eenig woord of lettergreep, veelal met den neusklank, als zoogenoemde nasaal-n, dus ongeveer als ng uitgesproken47. Zoo luiden b. v. de woorden: »geeft hem eenen ring aan de hand, en schoenen aan de voeten,” in de dageliksche spreektaal van de stad Aken: »geft hem ’n reng angen hank, en schong angen puute.” Hier staat dus angen in de plaats van ang de(n), aan de. Zoo luidt ook het woordje onder te Sittard steeds als onger; oorspronkelik ongder, maar de d is daar uit gesleten. En zoo sleet ook die d uit angen (ang den), in bovenvermelden akenschen volzin, en uit ingen (ing den) in bovengenoemden oud-limburgschen naam. Over ’t algemeen slijt de d, in alle nederlandsche tongvallen, zeer licht weg, en vooral ook na zoo’n dreunenden neusklank. En zoo is dus werkelik »in gen Esschenbroeck” eene verkeerde spelwyze voor ing(d)en, in den Esschenbroek.