← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 10 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.

Reading edition

§ 16. Hier volgt nog een enkel twaalftal uit dat overgroote aantal inknamen, dat bepaaldelik eigen is aan de zuiver-saksische gouen van Overijssel en Gelderland: Abbink, Eggink, Makkink.10 Natuurlik zijn ook deze maagschapsnamen allen afgeleid van oud-germaansche mansvóórnamen. Onder dezen zijn Abbe, Egge, Makke, Melle, Roelf (Roelof) en Temme (Tammo) nog heden by de Friesen in gebruik. Reerink en Reering, dat is oorspronkelik Reerdink, Rederding, Retharding, komen van den mansvóórnaam Rethart, Redert; zie § 48. Dit zelfde patronymikon komt in Groningerland onder den byzonder-frieschen form Reeringa voor, en in de westelikste gouen van Westfalen onder den hoogduitschen form Rörink, hoewel er ook aan deze zijde onzer oostelike grenzen Reurink’s, Rörink’s en Rörik’s (dit is een versletene form) wonen. En dit zelfde is het geval met den maagschapsnaam Höpink. Rörink en Höpink zijn oorbeeldige grensnamen. Wilbrenninck komt van Wilbrant. Even zoo heeft ook de eenvoudige mansvóórnaam Brant oorsprong gegeven aan het patronymikon Brennink, versleten van Branding, Brändink. Dit patronymikon maakt ook deel uit van den samengestelden geslachtsnaam Brenninkmeyer.—De maagschapsnaam Roelvink, en ook Roolvink, moest eigenlik met eene f in plaats van met eene v geschreven worden. Want deze naam is anders niet als het patronymikon van den mansnaam Roelf, Roolf, Rolf, Roelof, Rodlof, Rodolf, Rudolf.—Stroink eindelik komt van den mansvóórnaam Stro, Strodo, waarvan ook de friesche patronymika † Stroma, Stroosma en Strooisma afgeleid zijn; zie § 168.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings