Note 4 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.
Reading edition
§ 12. De oude Nederlanders schreven den uitgang ing gewoonlik als ingh en ook wel als inghe; b. v. coningh, oeffeningh, vergaderinghe, enz. En zoo schreven zy den patronymikalen uitgang van geslachtsnamen ing ook wel als ingh en inghe. By sommigen onzer hedendaagsche patronymikale maagschapsnamen is die oude form nog bewaard gebleven; b. v. by Abbingh, Bussingh, Coelingh.4 Maar slechts drie hedendaagsche geslachtsnamen ken ik, die nog den ouden form inghe vertoonen; dit zijn Muntinghe, Huisinghe en Sinninghe. Al deze ingh- en inghenamen zijn ook echte patronymika, van oud-germaansche mansvóórnamen afgeleid. Wolter (Wouter, Walther), de mansvóórnaam die aan den maagschapsnaam Woltringh ten grondslag ligt, is nog heden ten dage in alle nederlandsche gewesten, als zoodanig vry algemeen in gebruik. Maar Abbe, Adde, Hidde, Ids, Luit, Menso of Minse, Rein, Tabe en Sinne zijn tot Friesland beperkt, ofschoon daar dan geenszins zeldzaam. De mansvóórnamen die aan de andere hiergenoemde patronymika ten grondslag liggen, Hert aan Herdingh, Busse aan Bussingh, Weit aan Weytingh enz., zijn eveneens allen zuiver germaansch, en in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch te vinden.