Note 32 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.
Reading edition
§ 31. Tot besluit van deze verhandeling over de oude patronymika, dient hier nog eene kleine groep van zeer byzondere geslachtsnamen vermeld te worden. Deze namen, op ing, ink, inga eindigende, zijn, wat hun form aangaat, echte patronymika. Maar zy onderscheiden zich hier in van alle andere patronymika, dat zy niet van mansvóórnamen afgeleid zijn, maar van woorden, die een beroep of bedrijf of ambt aanduiden; b. v. Jagerink, Meestringa, Vogeding, van de woorden jager, meester en voged, voogd, en dus zoon van den jager, nakomeling van den meester, van den voogd beteekenen. Het ontstaan dezer namen is gemakkelik te verklaren door aan te nemen dat oudtijds deze of gene man, door zyne omgeving en tijdgenooten, in het dageliksche leven, niet by zynen naam genoemd werd, maar by den naam van het bedrijf dat hy uitoefende, of van het ambt dat hy bekleedde. Deze zaak is niet vreemd, en geschiedt nog dageliks, en is ook de oorsprong van al de hedendaagsche geslachtsnamen, als Jager, de Meester, Voogt, die op zich zelven een ambt of beroep aanduiden. Maar in deze byzondere gevallen hadden de beroepsnamen zoo volkomen de plaats der eigennamen ingenomen, dat die eigennamen geheel vergeten en in onbruik geraakt waren, zoo dat de zonen dezer mannen hunne patronymika niet ontleenden aan hun vaders vóórnamen, zoo als de regel was, maar aan hun vaders toenamen. In dit geval, aan de namen van het beroep door hunne vaders uitgeoefend. Dat de naam van eenig beroep zóó volkomen den eigennaam van den persoon die dat beroep vervulde, verdrong, als noodig was om er voor de zonen patronymika van te formen, was zeker slechts by uitzondering het geval. Van daar ook dat zulke oneigenlike patronymika als geslachtsnamen weinig voorkomen. My zijn de volgenden bekend: Beckeringh en Beckering, van becker, bäcker, bakker; Borchgrevink, van borchgreve, burggraaf; Grevinge, Greving, Greevingh, † Grevinga, van greve, graaf.32 Dezen laatsten geslachtsnaam zou men ook nog van eenen mansvóórnaam kunnen afleiden, naar dien Grawo in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch als zoodanig vermeld wordt. Behalve de patronymika Grevinge, enz., bovengenoemd, zijn van dezen zelfden naam nog ontleend de geslachtsnamen Graafsma, Greven en Greeven, met Grevinchovius (zie bl. 52 en 74); waarschijnlik ook nog ’S Graauwen; zie § 64. In overeenstemming met den geslachtsnaam Borchgrevink, waar by aan eenen oorsprong van borchgreve, burggraaf of slotvoogd, niet getwyfeld worden kan, zoude ik by Greving, enz. liever aan het woord graaf, dan aan den mansnaam Grawo denken. Grutterink is van grutter en Maaldrink van maalder, maler, mulder of molenaar. De friesche geslachtsnaam Meestringa, van meester, kwam oudtijds ook in eenen anderen, meer saksischen form voor: zekere Johan Meisterinck toch woonde in den jare 1640 te Groningen.33 Neirinckx en Neyrinckx en Neirynck zijn vlaamsche geslachtsnamen, waarschijnlik ontleend aan het woord neier, neyer, naeyer, naaier, dat in Vlaanderen gebruikt wordt voor het hollandsche woord kleêrmaker. Van daar ook de vlaamsche geslachtsnaam De Naeyer.—Rigterink is van richter, rechter; Ridderink, van ridder; Schildering en Schippering van schilder en schipper; Scholting, Schulting, Scholtink, Schulting zijn afgeleid van het woord scholte, schulte, schout. Dit woord was oudtijds ook wel als mansvóórnaam in gebruik, zoo dat bovengenoemde geslachtsnamen ook wel kunnen worden beschoud als echte, oorbeeldige vadersnamen. Schelte, beter skelta, is de friesche form van het Saksische scholte, schulte, van het frankische schout; en Schelte is tevens nog heden een friesche mansvóórnaam, in volle gebruik. De friesche patronymikale geslachtsnamen Scheltinga en Van Scheltinga, met het saxo-friesche Schultinga in Groningerland, en waarschijnlik ook met Schuitinga en Schuttinga, zijn tegenhangers van Scholting, Schulting, enz.34 Weeveringh en Weverink zijn afgeleid van het woord wever.