Note 29 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.
Reading edition
In de middeleeuen, toen de friesche taal hare volle formen op a en ia (mula = mond, biwaria = bewaren) nog behouden had, en men die uitgangen nog duidelik, onderscheidenlik uitsprak, toen spraken de Friesen die samengetrokkene namen Sinia (– ⏑ –), enz., ook juist zóo uit, als zy ze schreven, en zóo, als wy ze nu nog schryven. Maar sedert is de friesche taal verloopen, en heeft hare volle formen verloren. Sedert de 16de eeu spreekt men niet meer mula, maar mule (mûle, met hoogduitsche u, ten naaste by als nederlandsch moele dus); en niet meer biwaria, maar biwarje. En juist zóo is ook de uitspraak der geslachtsnamen, die op ia eindigen, veranderd en verloopen. Men spreekt tegenwoordig niet meer voluit Sinia, maar Siinje (Sînje, Synje, – ⏑); niet meer Tania, maar Tanje; niet meer Runia, maar Rûnje (ongeveer Roenje) en Rüünje. Heden ten dage is dit de algemeene en gewone uitspraak dezer namen by de Friesen; en dat deze zelfde uitspraak ook reeds in vorige eeuen bestond, blijkt uit menige oude oorkonde. Zoo vind ik, al weêr in ’t Oorkondenboek van ’t leeuwarder St. Anthonij-Gasthuis, in een stuk van den jare 1542, den geslachtsnaam Donia geschreven als Donye, en in een stuk van het jaar 1562, als Doenye.—Hania staat in het laatstgenoemde stuk als Hanye gespeld. Wyngia, in eene oorkonde van 1558, als Wyngie.—† Ringia, in 1566, als Ryngie; † Fernia, in 1595, als Fernij.—Unia eindelik, in een geschrift van 154729, als Oenye.