← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 22 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.

Reading edition

§ 27. De patronymikale geslachtsnamen, tot hier toe vermeld, vertoonen allen, in hunne uitgangen, volle formen, al zijn die formen onderling dan ook nog zoo verschillend. Maar by eenige hedendaagsche geslachtsnamen, oorspronkelike patronymika, zijn die volle formen versleten. By namen die voor verre weg het grootste gedeelte, reeds zoo overoud zijn als dit by de ware patronymika het geval is, kan het geenszins bevreemding wekken, dat zy niet allen in hunne volle, oorspronkelike formen tot op onzen tijd in ’t leven gebleven zijn. Integendeel, ’t is eerder byzonder, dat het altijd maar een zeer klein gedeelte is van het groote getal patronymikale geslachtsnamen, dat zoo in versleten staat tot ons gekomen is. De geslachtsnamen Heenk en Oonk b. v., ook Bonga met Van Bonga, en Sinnighe zijn zulke versletene formen. By Heenk en Oonk is eene d en eene i verloren gegaan, by Bonga de lettergreep nin, by Sinnighe en Sinnige eene n. Want deze namen zijn oorspronkelik en voluit Hedink, Odink, Bonninga en Sinninghe geweest. Zie hier nog eenige andere geslachtsnamen tot deze groep behoorende, met de volle formen er achter: Beddigs (Beddings); Bennigsen (Benningsen—zie bl. 28 en 44); Diegerick (Diegerink; de geslachtsnaam Deegerink is slechts een andere form hier van).22 Moeieliker te verklaren zijn de geslachtsnamen Banga, Tjeenk en Swynga. Oppervlakkig zoude men Banga wel houden voor eene samentrekking van Banninga, aan den mansvóórnaam Banne ontleend, die ook aan de geslachtsnamen Banning, Olden-- en Nyen-Banning (zie bl. 50), Bannema en Bans ten grondslag ligt, en even als ook Bonga uit Bonninga is saamgetrokken. Dat Banga echter niet van Banninga, niet van den mansnaam Banne komt, maar van den mansnaam Baue—dat deze geslachtsnaam versleten is uit het oorspronkelike Bauwinga of beter Bauinga, blijkt uit den form Bawnga, waar onder deze naam voorkomt in eene oorkonde, die in de friesche taal opgesteld is en van ’t jaar 1493 dagteekent.23 In deze oorkonde wordt één en de zelfde man, die in een ander stuk van het jaar 148924 Douwa Banga heet, Douwa Bawngha genoemd. Er komt in Friesland nog een andere eigennaam voor, waarin het oorspronkelike patronymikon Bauinga tot Bang versleten is; te weten de naam van het dorp Bangstede, tusschen Emden en Aurich gelegen. Dit dorp heet oorspronkelik Bauingastede, de stede, de woonplaats der Bauinga’s, der Bauingen of Bavingen, der zonen en afstammelingen van den man die Baue of Bavo heette. Op eene oude landkaart van Oost-Friesland, van Ubbo Emmius, uit het laatst der 16de eeu, staat dit dorp nog als Bavestede of Bauestede vermeld. Dat de nog hedendaags by de Friesen in volle gebruik zijnde mansnaam Baue (Bauwe) in het middeleeusche monnikenlatyn als Bavo werd geboekstaafd, is bekend. De heilige Baue is als St. Bavo de patroon van de steden Aardenburg, Gent en Haarlem. En deze zelfde mansnaam heeft nog aan zeer vele andere geslachtsnamen oorsprong gegeven, om niet te spreken van de talryke plaatsnamen die er van afgeleid zijn. Die geslachtsnamen zijn: † Bavinga, † Bauwenga, † Bavema, Bauma, Bauwes, allen in Friesland; Bange, saamgetrokken van Bauinge, als Banga van Bauinga; Bavink, in Engelland als Baving voorkomende, Bauwen, Bauwens, Baafs, Baefs, Baafse, en het verlatynschte Bavius.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings