Note 14 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika.
Reading edition
§ 19. Als in eenig woord eene k en eene s onmiddellik op elkanderen volgden, dan vervingen de oude Nederlanders, in hun schryven, die twee letters meestal door eene x. Zoo schreven zy b. v. de woorden: des konings brug, des koninks brugge, als sconincx brugghe; monniks-kleêren als munnicx ghewaed. Ook by ’t boekstaven hunner eigennamen handelden zy zoo, en schreven Feddrixma en Haaxbergen, welke namen wy tegenwoordig beter als Feddriksma en Haaksbergen spellen. In sommige eigennamen bleef die x tot den dag van heden in gebruik; b. v. in den frieschen geslachtsnaam Blinxma, dat is Blink-sma, en beteekent: zoon van Blinke. Deze naam is weêr een verkleinform (Blin-ke) van den oorspronkeliken mansvóórnaam Blin, die by Förstemann als Blion, Bliun voorkomt. Verder in de friesche plaatsnamen Boxum, Waaxens, enz. Ook schreef men voor weinig jaren nog algemeen Boxtel, Axel, Nibbixwoud; thans meer Bokstel, Aksel, Nibbikswoud, zoo als ’t ook beter is. Vooral in de zuidelike Nederlanden zit die x in menige eigennaam nog vast in den zadel; b.v. in Dixmude, Exaerde, Sint-Antelinckx, namen die men in de nieuste spelling ook als Dijksmuiden, Eksaarde, Sint-Antelinks boekstaaft. En zoo vinden wy in de zuidelike Nederlanden, vooral in Vlaanderen, die geslachtsnamen, welke eigenlik zijn op ink (inck, ynck) eindigende patronymika, in den tweeden naamval, meestal met eene x geschreven; b. v. Bollinckx, Bruyninckx, Cnapelinckx, Daggelinckx,14 enz. Ook deze patronymikale geslachtsnamen zijn natuurlik allen weêr aan mansvóórnamen ontleend. Het zuidnederlandsche Bruyninckx verschilt slechts in spelling van het noordnederlandsche Bruinings, maar komt er in oorsprong en beteekenis volkomen mede overeen. De maagschapsnamen Duerinckx en Tuerlinckx stammen af van eenen en den zelfden mansvóórnaam; namelik van Dure, Ture, Thuro. Deze naam was reeds by de Gothen in gebruik—immers Thuro was een gothische bevelhebber—, en ook het land Thüringen in Duitschland ontleend zynen naam van dien mansvóórnaam. Tuerle, de naamsform die aan het patronymikon Tuerlinckx ten grondslag ligt, is oorspronkelik anders niet als een verkleinform (Turlyn) van Ture. Ook in Friesland treffen wy dezen ouden mansvóórnaam nog aan in geslachts- en plaatsnamen. Te weten in de geslachtsnamen Duursma, Duursema, During en Duurs, nevens Dürigen en Von Düringsfeldt in Duitschland. Verder in Duurswolde, zoo als een dorp heet in Opsterland (Friesland), en eene landstreek in Fivelgo (Groningerland). Düringen is de naam van een dorp by Bremen. Van den verkleinform Duurke (het zelfde als Tuerle, maar in andere gouspraak) stamt de groninger geslachtsnaam Duurkens, en de plaatsnaam Duurkenakker, een gehucht by Muntendam in Groningerland. De geslachtsnamen Cnapelinckx, Hebbelynckx, Ratinckx, of liever de mansvóórnamen die er aan ten grondslag liggen, zijn op bl. 41, 42 en 37 reeds besproken. Hellynckx en Hellinckx hebben hunne tegenhangers in de friesche patronymikale geslachtsnamen Hellinga en Hellenga. Verder in Hellynck, Hellink, Helling en Hellings, en in den samengestelden maagschapsnaam Hellinghuizer. Al deze patronymika zijn afgeleid van den oud-germaanschen mansvóórnaam Hello, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld wordt, en die tevens oorsprong gaf aan vele andere geslachts- en plaatsnamen. Te weten aan Hellema en Helma, Hellen en Helles; aan Hellum, een dorp in Fivelgo, en aan Helwert, een gehucht by Rottum in Hunsego, beide in Groningerland; aan Hellingen, een dorp in Luxemburg; aan Hellinghen, een gehucht by Hérinnes-lez-Enghien in Henegou; aan Hellinghill in Northumberland (Engelland); aan Hellinghausen, een dorp by Lippstadt in Westfalen, enz. In Snellinx en in ’t eveneens voorkomende Snellings vinden we het patronymikon van den oud-germaanschen, in Friesland nog een enkele keer voorkomenden mansvóórnaam Snello, Snel, die ook oorsprong gaf aan de geslachtsnamen Snellen en Snellens, en, in verkleinform, aan Sneltjes, alle drie tweede-naamvalsformen, en zoon van Snello beteekenende. Ook aan de plaatsnamen Snelleghem (dat is eene samentrekking van Snelling-hem, Snellinga-heim) een dorp in West-Vlaanderen, en Schnellingen, een dorp by Hasslach in Baden. Eenen tegenhanger van den vlaamschen geslachtsnaam Surinx vinden wy in den frieschen, in Groningerland inheemschen geslachtsnaam Suringa. Verder in Sühring, dat ik te Bremen vond; in het geldersche Surink; in ’t afgesletene, te Antwerpen voorkomende Suerickx (dat is oorspronkelik ook Suerincks); en hoogst waarschijnlik ook in het nog meer versletene Sury en Surie. In den samengestelden geslachtsnaam Suringbroek komt dit patronymikon almede voor. En Süren en Suersen, namen van buitenlandschen, westfaalschen en noordfrieschen oorsprong, maar die ook in Nederland voorkomen, zijn eveneens patronymika van den ouden, buiten gebruik gestelden mansvóórnaam Suur, Sure. Deze naam is slechts eene samentrekking van den vollen form Suder, Sudhari, een oud-germaansche mansnaam, die blykens de hedendaagsche friesche geslachtsnamen Zuiderma en Zuidersma oudtijds ook door Friesen gedragen werd. De stamform van den mansnaam Sudhari (Suder, Sure) is Sudo, die in Förstemann’s Namenbuch vermeld wordt, en oorsprong gaf aan de friesche geslachtsnamen Sudinga (in Oost-Friesland inheemsch), Zuidinga (in Drente), Suiding, Suydema, Suidema en Zuidema, allen patronymika. Het patronymikon van den mansnaam Sudhar vind ik reeds in de middeleeuen, ook in Vlaanderen; Laureins Zuerinc was een poorter van Brugge, ten jare 132015.