Note 81 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 3)
Reading edition
Coppejans en Coppieters, de zoon van Jacob-Jan of Jacob-Johannes, en die van Jacob-Pieter of Jacob-Petrus. Dat Cop, Coppe, Kop oud-nederlandsche afkortingen, versletene formen zijn van den bybelschen mansnaam Jacob, blijkt o. a. uit eene oorkonde van den jare 1466, waar iemand in vermeld wordt als: »Coppe offt Jacop Meluszoen.”81 Maar ook nog later vindt men in oude geschriften nog menigmaal den mansvóórnaam Kop. De geslachtsnamen Kops, Cops, Koppen, Koppes, Coppens, en zekerlik ook wel het verlatynschte Koppius zijn er van afgeleid.—Koopmeiners is de zoon van Koop-Meiner, van Jacob-Meinert of Jacob-Meinhart. Want even als Kop, zoo is ook Koop, met Jaap, Koben en Kobus, ook met Japik en Jappe, en misschien met Jakkele, eene volkseigene verbastering van den mansnaam Jacob. In sommige streken van Nederland, vooral by de friso-saksische bevolking van noordelik Overijssel, van Drente en Groningerland, is Koop als een byzondere mansvóórnaam nog in volle gebruik. De maagschapsnamen Kopinga en Copinga, Koopsma, Koops, Coops en Kopen zijn er van afgeleid. Het patronymikon Coping, de weêrga van de friesche vadersnamen Kopinga en Copinga, kwam reeds onder de Angel-Saksen voor, even als Coppingsyke nog een plaatsnaam is in Lincolnshire, Engelland. (Zie bl. 131).