Note 88 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 3)
Reading edition
Jagers, Jaegers, Jaeghers en Jegers, Houtzagers, Keersmaekers en, in wanspelling, Kerssemakers (kaarsemaker); Klerckx en Clerckx, Kosters, Costers en Custers, Kramers, Kremers en Creemers; Kuipers, Kuypers, Cuypers, Kupers, Küppers en het verlatynschte Cuperi; Koopmans, Coopmans, met de versletene formen Coomans en Comans; Lantmeeters, Leydeckers, Meesters, Messemaeckers, Rovers, Olieslagers, Pelsmaekers, Schoenmakers, Schoemaekers en het zuid-nederlandsche Schoesetters; Schrynemaekers, van het verouderde schrijn, kast als meubelstuk (in Friesland heeten de kastmakers nog schrijnwerkers); Snepvangers (snep = snip), Snyders, Snieders en Snyers, Teegelbackers, Waersegers, (waarzegger), Weevers, enz.