Note 28 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 3)
Reading edition
Dat men oudtijds, zoo wel in Friesland als elders in de Nederlanden, zeer onnaukeurig, zeer onstandvastig was in de spelling der eigennamen, is overvloedig bekend. Om een enkel voorbeeld te noemen, zoo vind ik den geslachtsnaam Burmania op de volgende wyzen geschreven: in eene oorkonde van ’t jaar 1433, als Burmanningha; in eene andere van 1425: Burmana (als een eenvoudige tweede-naamvalsform op a, van den mansnaam Burman); van 1502: Buyrmangye; van 1507: Bwrmanghie; in een ander stuk van 1507: Burmannie; van 1520: Burmannia; van 1524: Van Buurmanya; van 1546: a Bourmannia en van Bourmannia in ’t zelfde geschrift; van 1558: van Burmanya; van 1562: van Bourmania; van 1563: van Burmannia; van 1574: van Bormannia; van 1580 en ’81: Burmania; van 1582: van Buermannia. Alle deze stukken kan men vinden in de Oorkonden der geschiedenis van het Sint-Anthony-Gasthuis te Leeuwarden. Rienk Burmania nog, die in 1482 Olderman te Leeuwarden was, schreef zynen naam: Burmanghia. En een geestelike der Roomsch-katholyke kerk, die in 1876 te ’s Hertogenbosch woonde, heet Burmanje, naar de hedendaagsch friesche uitspraak.