← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 22 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 3)

Reading edition

Donga (Dodinga); Enga en Engga (Enninga, Ennenga, zie bl. 57); Fenega (Feninga, zie bl. 58); Follega (Follinga); Hillega (Hillinga); Hudig (Huding); Immig (Imming, zie bl. 19 en 32); Mennega (Menninga, zie bl. 54); Minnigh (Minning, slechts een andere form als Menninga, maar van den zelfden mansnaam afgeleid); Radix (Radiks, Radinks, Radink, zie bl. 37); Ridderikhof (Ridderinkhof, zie § 22); Schallig (Schalling); Suerickx (Surinkx, Surinks, zie bl. 48); Taank (Tadink); Weddik (Weddink) en Willige (Willinge). Laatstgenoemde naam komt ook in Drente als geslachtsnaam voor, en is met Willink, Wilma, Willes, Willen en ’t engelsche Wilson afgeleid van den ouden mansvóórnaam Wille, die in Friesland nog voorkomt, vooral in de verkleinformen Wilko (Wilco) en Wiltje.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings