← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 77 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 2)

Reading edition

§ 57. Aan het slot dezer afdeeling van vergriekschte en verlatynschte vadersnamen, moet hier nog eene kleine groep van maagschapsnamen genoemd worden, welke bestaat uit volle, in zich zelve onveranderd geblevene patronymika, maar waar willekeurig de latynsche uitgang ius achter gevoegd is. Het zijn kwaad-latynsche namen, want die ius-steert kan van oorspronkelik nederlandsche namen en woorden geen latynsche maken. Waren de geslachtsnamen op bl. 150 vermeld, uit een taalkundig oogpunt nog eenigszins te verdedigen, de namen, hier beneden genoemd, zijn ware monsters, en geven in mismaaktheid niets toe aan de namen in § 22 besproken. Die zulke namen eerst bedacht hebben en zich toegeeigend, hebben daar mede een bewijs gegeven dat hun gevoel voor taalzuiverheid weinig ontwikkeld was, en hun smaak verbasterd, al schreef de mode van hunnen tijd deze misformingen dan ook voor. Talrijk komen zulke namen niet meer onder ons voor, al zijn ze dan ook juist niet zeldzaam. Zie hier eenigen er van: Arntzenius, Bolsius, Borgesius.77 Om de oorspronkelike formen van deze namen te vinden, behoeft men dien uitgang ius er slechts achter weg te nemen. De formen Arntzen, Bols, Borges, enz. die men dan verkrijgt, zijn allen zuiver-nederlandsche vadersnamen. Arntzen, Bols, Hajen en Hayen, Heins en Heyns, Hillen (ook versleten als Hille), Jansen, Jansson, Matthes, Metten, Nolten, Tielen (en het versletene Tiele), Straten, komen ook allen nog in hunne onverbasterde formen als nederlandsche geslachtsnamen voor. Arntzen is Arnt-zen, Arnts-zen, Arnts-zoon, de zoon van Arnt, Arent; Eysson en Jansson, zoon van Eyse, Eise, een nog in volle gebruik zijnde friesche mansvóórnaam, en zoon van Jan.—Borg (Burg, Brug, Brucht, zie bl. 133); Haio; Hein (Hendrik); Hille (zie bl. 150); Jan; Matthes (Mattheus); Nolt (Arnold) en Tiel, Tyl, (zie bl. 142) zijn de mansvóórnamen, die aan deze vadersnamen ten grondslag liggen. Bol, Bolle, door Förstemann als Bollo vermeld, is een oud-germaansche mansvóórnaam die, behalven aan Bols, Bolsius, nog oorsprong gaf aan eene geheele reeks van maagschapsnamen; te weten, aan Bollinga, Bolling, Bollinck, Bollinckx, Bolma, Bols, Bolls, Bollen, Bollens, Bolle, Bol. Verder aan Bolks, Bolkens, Bollekens, Boltjes, die uit verkleinformen zijn ontstaan, en, in Engelland, aan Bollington.—Mette is de oud-germaansche mansvóórnaam, in de naamlijst van Brons als een friesche vermeld, die aan de geslachtsnamen Metten en Mettenius ten grondslag ligt. By Förstemann komt deze zelfde naam als Matto voor. Talrijk zijn de nederlandsche maagschapsnamen die aan dezen naam ontleend zijn. Zie hier eenigen er van: † Mettinga, Mettens, Mets en Metz (kan in sommige gevallen ook de naam der lotharingsche hoofdstad zijn), Metting, Mettjes, † Metsema, Metzen en Metskes—de vier laatsten van verkleinformen afkomstig. Straten en Stratenus, met Straatsma, Stratingh en Straatjes, zijn patronymikale maagschapsnamen, waar de oud-germaansche, door Förstemann aangetoonde mansvóórnaam Strato aan ten grondslag ligt. In de lijsten van Wassenbergh vindt men dezen naam, Strate, als een friesche vermeld. De naam van het noordbrabantsche dorp Stratum zal er ook wel van afgeleid zijn (Strate-heim, woonplaats van Strato), en dien ten gevolge dan ook, middellik, de geslachtsnaam Van Stratum.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings