Note 69 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 2)
Reading edition
De volgende geslachtsnamen, allen in Groningerland inheemsch, mogen als voorbeelden der sema-namen gelden: Ausema, Bansema, Brondsema69. Deze namen zijn allen patronymika van oud-germaansche, grootendeels bepaaldelik oud-friesche mansvóórnamen. Maar van Ilpsema is de oorsprong my duister. Franssema is van Frans afgeleid, dat weêr eene verkorting is van den kerkeliken naam Franciscus. Echter is deze kerkelike naam oorspronkelik toch een germaansche; de mansvóórnaam Frank ligt er aan ten grondslag. Roelfsema is duidelik genoeg, en stamt met Roelfzema en het westerlauersche Roelofsma af van den bekenden mansnaam Roelf, Roelof, Rudolf. Op bl. 92 is Klootsema reeds verklaard. Ausema komt van den frieschen mansvóórnaam Aue, die hedendaags meest in verkleinform als Auke in gebruik is, en die in zyne onverkleinde gedaante tevens aan de geslachtsnamen † Auwema en Auwen oorsprong gaf. Bansema komt met de maagschapsnamen Banning, Olden-Banning, Nyen-Banning en Bans van den ouden mansvóórnaam Banno.—Brondsema en Brontsema, met Bruntink, Brunten en Brunt, stammen af van Bront of Brunt, een mansvóórnaam die of eene samentrekking is van den samengestelden naam Bronnert, Brunnart, Brunhart, of eene uitbreiding, door zeer gewone aanhanging eener t, van den naamstam Bron, Bronno, beide oud-germaansche mansvóórnamen. Van dezen laatsten naam, die in Friesland nog in gebruik is (my is een man bekend, te Emden geboren, te Leeuwarden wonende, althans van 1850–1870, die Bronno Brons heet), stammen de geslachtsnamen Bronninga, Bronnema, Bronsema en Brons, welke laatste naam veelvuldig voorkomt in alle gouen tusschen Fli en Eems en verder oostelik. De maagschapsnaam Bronkema eindelik is een patronymikon van Bronke, Brunnico, dat is Bronno in verkleinform.—Jelte, Tiete en Weite, waarvan Jeltsema, Tietsema en Weitsema, zijn in onze noordelike gewesten, voor zoo verre de ingezetene bevolking daar van frieschen stam is, in volle gebruik als mansvóórnamen.—Luurtsema eindelik en Luursema zijn met de geslachtsnamen Luurts, Luurs, Luirs, Lührs en Luyrink afgeleid van twee verschillende, maar na-verwante oud-germaansche mansvóórnamen. Te weten: van Luithart, Ludehart en van Luiter, Luther, Lothar of Liudheri, waar Luurt en Luur afgesletene en samengetrokkene formen van zijn. In de formen Luurd, Luyert, Luyer komen deze namen nog eene enkele maal in de friesche, vooral friso-saksische gewesten als mansvóórnamen voor. De maagschapsnamen Luurtsema en Luursema zijn nu slechts in Groningerland inheemsch, maar hadden oudtijds hunne tegenhangers in de namen der nu uitgestorvene geslachten Luyrtsma in Friesland bewesten Lauers, Lyursna in Friesland beoosten Eems.