Note 61 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 2)
Reading edition
Zeer talrijk zijn de geslachtsnamen op ma eindigende, en waar de oud-friesche tweede-naamvalsform op a van den mansvóórnaam, die aan den geslachtsnaam ten grondslag ligt, in eene toonlooze e is overgegaan; b. v. Ekema, nevens Ekama. Zie hier eenigen van die namen als voorbeeld: Attema, Aukema, Balkema,61 enz. De mansvóórnamen, in deze geslachtsnamen besloten, zijn allen oud-germaansche namen, en grootendeels nog heden ten dage by de Friesen in gebruik. De mansvóórnamen Benno en Otto zijn by de meeste germaansche volkeren, by de Duitschers in de eerste plaats, nog heden in volle gebruik. Zy hebben oorsprong gegeven aan de friesche geslachtsnamen Bennema en Ottema. Ook de mansvóórnaam Klaas, die ten grondslag ligt aan den geslachtsnaam Klasema, is bekend genoeg. Klasema en Lycklama (zie bl. 117) zijn dus twee geslachtsnamen die, met Klaassen, Claessens, Claeissone, Klaaysen, Klazes, Klasinga, Klasing, Clausing, Nicolai en vele anderen, volkomen het zelfde beteekenen. Atte, Auke, Beint, Epke, Feike, enz., de namen die aan de andere ma-namen ten grondslag liggen, zijn als mansvóórnamen by de Friesen nog in volle gebruik.