← Table of contents
De Nederlandsche Geslachtsnamen in Oorsprong, Geschiedenis en Beteekenis

Note 60 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 2)

Reading edition

Maar genoeg! Het achtervoechsel ma achter vele friesche patronymikale geslachtsnamen is werkelik het woord man in het meervoud. En dit blijkt onweêrsprekelik uit de oude formen waarin deze namen in oude oorkonden voorkomen. Zoo komt de naam Frouwama, eigen aan een geslacht van friesche edelingen, in Hunsego gezeten, in oorkonden der 13de en 14de eeu voor als Frouwamona. (Over de beteekenis van dezen naam zie men § 60). Verder Bolsma als Bolesmona, Sierksma als Sirikesmona, Brongersma als Brungersmona, enz. By verloop van tijd ging deze volle form mona ook, door verfloeiing der klanken, in mena over. Zoo brengt eene oude oorkonde ons den naam der Luidera-mena in Garreweer (Fivelgo). Luidera-mena, dat is letterlik: de Luidera-mannen, de mannen van Luider, een verloopene oud-germaansche mansvóórnaam, die in zynen vollen oudsten form Lutheri (Luther, Lothar, Chlotar) is. Deze oorspronkelike beteekenis der geslachtsnamen op mona, mena, ma eindigende, was den middeleeuschen Friesen, in de 13de en 14de eeu, nog ten vollen bewust. Sicco Siccama b. v. toen ten tyde levende, wist zeer wel dat zijn geslachtsnaam oudtijds voluit Siccamona geweest was, dat hy dus de Sicco of Sikke was der Sicca-mannen, der mannen van Sicco, zynen ouden stamvader, wiens naam hy ook nog als doopnaam droeg. In middeleeusche friesche oorkonden en in middeleeusche chronyken, als deze geschriften in de latynsche taal opgesteld zijn, vindt men deze geslachtsnamen ook verlatynscht, waaruit dan blijkt dat de vertaler zeer wel de beteekenis kende van het achtervoechsel mona, mena, ma. Zoo vind ik in de Gedenkschriften der Abdy Mariëngaarde door Æ. W. Wybrands uitgegeven, op ’t jaar 1224, de Blondera-viri genoemd, en in de aanteekening in dat werk, op bl. 152, de Sembranda-viri, de Ummegga-viri (Umminga-mannen), de Wibrenda-viri en de Herwarda-viri, als vermeld wordende in de Vita Frethrici en in andere levens van oud-friesche geesteliken en heilige mannen. Verder vinden wy nog in oude oorkonden, dat in de 13de eeu te Uithuizen (Groningerland) de Aybadamani (Aybada-mannen, mannen van Aybad, Adelbald) wonen, even als in het naburige Warfum de Dincinga-manni, de Obeka-manni en de Onninga-manni, en dat er te Oldesyl eene area Aylbadis-mannorum was. Zoo ook heerschten in de middeleeuen in oost-friesche gouen de Beninga-mannen, even als tusschen Fli en Lauers de Ludigmannen (Ludinga-mannen), de Fortemannen en Jellamannen aanzienlike geslachten waren.60 (Jellaman, nog heden als geslachtsnaam Jellema bestaande, is man van Jelle, en Jelle is een nog hedendaags zeer gebruikelike friesche mansvóórnaam).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings