Note 37 — I. Geslachtsnamen, ontleend aan mansvoornamen. Dit zijn de vadersnamen, de zoogenoemde patronymika. (continued 2)
Reading edition
Hier volgen nog eenige geslachtsnamen, patronymika op se: Aarnoutse, Adriaanse, Baafse, Faasse37. Deze namen eischen weinig verklaring. De mansnaam Baaf, die aan den geslachtsnaam Baafse ten grondslag ligt, is eene verhollandsching van het latynsche Bavo, en deze naam is oorspronkelik weêr het friesche Baue (zie bl. 62). In den verkleinform Baafje komt deze naam ook nog in Holland en elders als vrouenaam voor. Faasse komt van Faas, eene verkorting van Bonifacius. Van dit zelfde Faas zijn nog afgeleid de geslachtsnamen Fasinga en Fazinga en Faasma; terwijl het patronymikon Faasse nog in allerlei formen, als Faassen, Vaassen, Fasen, Vaesen, Faessen, Fase, zelfs Vase, als geslachtsnaam voorkomt. Lieven, waarvan Lievense, is de oud-nederlandsche afkorting van den vollen oud-germaanschen naam Liefwin, die, als geslachtsnaam, ook in den verbasterden form van Liwijn voorkomt; zie ook bl. 82.