← Table of contents
De Lof der Zotheid

Note 1 — Zij maakt het leven dragelijk.

J. B. Kan translation

Als dan nu eens iemand als van een hoog gelegen punt rondzag, gelijk de dichters dit met zooveel ophef van Jupiter verhalen, aan hoeveel rampen ’s menschen leven onderhevig is, hoe rampzalig en hoe vuil hij geboren wordt, met hoeveel moeiten zijn opvoeding gepaard gaat, aan hoeveel ongelukken zijn kindsheid is blootgesteld, hoe hij in de kracht des levens moet zweeten en zwoegen, hoe zwaar de ouderdom drukt, hoe hard de noodzakelijkheid van den dood is, hoeveel drommen van ziekten hem bestoken, hoeveel ongevallen hem bedreigen, hoeveel ongemakken hem treffen, hoe er nergens ter wereld iets bestaat, dat niet met veel gal is bestreken, om niet van al het leed te spreken, dat de eene mensch over den ander brengt, waartoe behooren: armoede, gevangenis, oneer, schande, pijnbank, valstrikken, verraad, scheldwoorden, rechtsgedingen, bedriegerijen—maar ik begin daar waarlijk een werk, zoo onmogelijk als het tellen van het zand der zee. Wat de menschen toch wel gedaan hebben, om dit alles te verdienen of welke God in zijn toorn hen gedwongen heeft tot al deze ellende geboren te worden, dat mag ik op dit oogenblik niet ronduit zeggen. Maar wie dat alles nauwgezet overweegt, zal hij niet het door de Milesische meisjes gegeven voorbeeld volgen1, al is het ook nog zoo beklagenswaardig? Wie hebben toch wel uit afkeer van het leven den dood gezocht? Waren het niet zij, die zich tot de wijsheid aangetrokken gevoelden? Onder hen, om nu niet te spreken van mannen als Diogenes2, Xenocrates3, Cato4, Cassius en Brutus5, gaf de bekende Chiron6, ofschoon hij onsterfelijk mocht zijn, voor zich de voorkeur aan den dood. Gij begrijpt nu, naar ik geloof, wat het gevolg zou zijn, als de menschen over ’t algemeen wijs waren: men zou nieuw leven en een nieuwen vormer als Prometheus7 noodig hebben. Maar ik weet deels door onwetendheid, deels door onnadenkendheid, soms door het vergeten van het leed, nu en dan door de hoop op geluk, ettelijke malen door de genietingen met eenige honingdroppels te besprenkelen, hen bij al ’t groote leed zoo te helpen, dat zij dan zelfs geen lust hebben het leven te verlaten, als de draad der schikgodinnen is afgesponnen en het leven zelf hen reeds lang bezig is te verlaten. Hoe minder reden er voor hen bestaat om in ’t leven te moeten blijven, des te meer vinden zij er smaak in: zoover is het er af, dat zij zich eenigszins levenszat voelen. Het is immers aan mij te danken, dat gij overal grijsaards zoo oud als Nestor ziet, bij wie zelfs geen schijn van een mensch over is, stamelende, soezende, tandeloos, grijs, kaal, of om hen liever met Aristophanes’ woorden te beschrijven, morsig, gebogen, ellendig, rimpelig, kaalhoofdig, tandeloos en wellustig. Zij vinden desniettemin zooveel genot in het leven en voelen zich zoo jong, dat de een zijn grijze lokken verft, de ander door een pruik zijn kaalheid tracht te verbergen, een derde tanden bezigt, die hij misschien vroeger van het een of ander varken ter leen genomen heeft, een vierde smoorlijk verliefd is op een meisje en door zijn verliefde dwaasheden het nog van ieder jong kereltje wint.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings