Note 1 — Vervolg.
J. B. Kan translation
Daar kwaken mij echter weer die kikvorschen uit de Stoa1 tegen: Niets is rampzaliger dan waanzin. Maar een groote mate van zotheid komt of zeer dicht bij waanzin, of is zelf veeleer waanzin. Want wat is waanzin anders dan verbijstering des geestes? Maar zij zijn het spoor geheel bijster. Wij willen eens beproeven, als de Muzen ons goedgunstig zijn, ook de kracht van deze sluitrede te ontzenuwen. Zeker, hun redeneering is scherpzinnig genoeg, maar evenals Socrates bij Plato ons een voorbeeld geeft door uit één doorgesneden Venus twee Venussen en uit één doorgehakte Cupido twee Cupido’s te maken2, zoo behoorden ook die redekunstenaars krankzinnigheid van krankzinnigheid te onderscheiden, zoo zij tenminste zelf voor lieden van gezonde zinnen wilden doorgaan. Want niet alle krankzinnigheid maakt al dadelijk ongelukkig. Anders zou Horatius niet gezegd hebben: Of begoochelt me een beminlijke waanzin? en Plato niet de woede van dichters, waarzeggers en verliefden onder de voornaamste goederen des levens gerekend hebben, noch de bekende waarzegster het werk van Aeneas krankzinnig genoemd hebben3. Maar de krankzinnigheid is tweeledig: het eene soort zenden de vreeselijke wraakgodinnen uit de onderwereld naar boven, zoo dikwijls als zij door middel van haar slangen, of een hartstochtelijke begeerte naar den krijg, of een onleschbaren dorst naar goud, of een misdadige en goddelooze liefde, of vadermoord, bloedschande, heiligschennis of een ander verderfelijk iets van dien aard in de harten der stervelingen brengen, of wanneer zij een van schuld bewuste ziel door de furiën en folterende schrikbeelden vervolgen4. Er bestaat ook een tweede soort, dat van het eerste hemelsbreed verschilt en zeker aan mij zijn oorsprong te danken heeft; dit is het allerbegeerlijkst goed. Het doet zich voor, zoo dikwijls een zekere aangename doling des geestes tegelijkertijd de ziel van alle kwellende zorgen bevrijdt en haar vervult met velerlei genietingen. Zulk een doling des geestes wenscht zich Cicero in een brief aan Atticus5 als een groot geschenk der Goden en dat wel, opdat het hem mogelijk zij zijn groot leed niet te voelen. Daarom had die inwoner van Argos6 het nog niet zoo mis, die in zoo verre krankzinnig was, dat hij geheele dagen alleen in den schouwburg zat, lachend en handen klappend en genietend, omdat hij geloofde, dat er prachtige treurspelen werden gegeven, ofschoon er geen voorstelling was, maar in alle overige betrekkingen des levens zich als een braaf man gedroeg: