Note 4 — Toelichting.
J. B. Kan translation
Want reeds voor tal van eeuwen schreef Homerus zijn “muizen- en kikvorschenkrijg,” Maro4 zijn “Mug” en “Boerenontbijt,” Ovidius5 zijn “Noot,” prees Polycrates6 en zijn bestrijder Isocrates7 Busiris8, Glauco9 de onrechtvaardigheid, Favorinus10 Thersites11 en de derdendaagsche koorts, Synesius12 de kaalhoofdigheid, Lucianus de vlieg en de tafelschuimerskunst, behandelde Seneca13 schertsend de vergoding van Claudius14, Plutarchus15 een samenspraak van Gryllus16 met Ulixes, Lucianus en Apuleius17 hun ezel en een mij onbekend schrijver het testament van het varkentje Grunnius Corocotta18, waarvan ook de heilige Hieronymus19 gewag maakt. Zij mogen daarom, als ’t hun goeddunkt, zich voorstellen, dat ik tot uitspanning een partijtje schaak gespeeld, of als zij dit soms liever willen, op een stokpaardje gereden heb. Want het is toch hoogst onbillijk om, terwijl wij den menschen van elke levensrichting hun uitspanningen gunnen, den mannen der wetenschap in het geheel geen scherts te veroorloven, vooral zoo die beuzelarijen ernstige dingen in haar gevolg hebben en die spotternijen zoo gebezigd worden, dat de lezer, wien het niet aan allen smaak ontbreekt, hieruit meer nut trekt dan uit de pedante en schitterende bewijsvoering van sommigen, b.v. als de een of ander in een met opoffering van veel tijd samengeflanste redevoering de redekunst of de wijsbegeerte prijst, een tweede de lofwaardige eigenschappen van een zekeren vorst schildert, een derde aanspoort tot den krijg tegen de Turken, een vierde de toekomst voorspelt en een vijfde nieuwe strijdvragen verzint over onmogelijke onderwerpen. Want evenals er niets beuzelachtiger is dan ernstige zaken beuzelachtig te behandelen, zoo is er niets aardiger dan beuzelingen zoo te behandelen, dat ge oogenschijnlijk niets minder dan gebeuzeld hebt. Zeker berust het oordeel over mij bij anderen, maar als de Eigenliefde mij niet geheel bedriegt, dan is onze lofrede niet in allen opzichte zot, ook al handelt zij over de Zotheid.