Note 1 — Haar goedaardigheid.
J. B. Kan translation
Gelijk ik onverschillig ben voor geloften, zoo vorder ik in toorn geen zoenoffers, als er eenige godsdienstplechtigheid verzuimd is. Evenmin beweeg ik hemel en aarde, wanneer iemand de overige goden te gast noodigt en mij thuis laat of mij geen deel gunt in den walm der geslachte offerdieren1. Want de overige goden zijn op dit punt zoo kitteloorig, dat het haast voordeeliger en zelfs veiliger is hun dienst te verwaarloozen dan hen te vereeren. Het gaat hun als sommigen menschen, die zoo lastig en prikkelbaar zijn, dat de grootste verwijdering te verkiezen is boven vriendschappelijken omgang. Maar niemand, werpt men mij tegen, offert aan de Zotheid of sticht haar een tempel. Nu, deze ondankbaarheid, zooals ik reeds opgemerkt heb, verbaast mij wel eenigszins. Maar ik ben te goedaardig om dit kwalijk te nemen; ik voel er trouwens ook volstrekt geen behoefte aan. Want waarom zou ik wierookkorrels of offermeel, of een bok, of een zwijn verlangen, nu de geheele wereld mij die hulde bewijst, welke zelfs van de Godgeleerden de hoogste goedkeuring wegdraagt? Zou ik soms Diana benijden, omdat men haar menschenbloed offert2? Ik meen, dat mij dan de meeste eerbied betoond wordt, als men mij overal, zooals allen inderdaad doen, in den geest opneemt, in gedrag navolgt en in leven mij gelijkt. Dit is een eeredienst, die zelfs bij de Christenen niet veel voorkomt. Welk een hoop menschen steekt er niet voor de Moedermaagd een waskaars aan en dat wel midden op den dag, als ’t volstrekt niet noodig is? Hoe weinigen zijn er daarentegen, die haar in reinheid, zedigheid en liefde voor de dingen, die hierboven zijn, trachten nabij te komen? Want dat is eerst de ware eeredienst en die den hemelingen verreweg het meest behaagt. Daarenboven, waarom zou ik een tempel verlangen, daar toch de geheele wereld, zou ik meenen, de prachtigste tempel voor mij is? Het ontbreekt mij nergens aan priesters dan daar, waar geen menschen zijn. Zoo dwaas ben ik niet, dat ik steenen beelden verlang, die onzen3 eeredienst soms benadeelen, als namelijk door die botteriken en stommeriken de afbeeldingen der heiligen in plaats van henzelf worden aangebeden. Wij verkeeren dan in hetzelfde geval als zij, die door hun plaatsvervangers verdrongen worden. Ik geloof, dat er voor mij zooveel standbeelden zijn opgericht, als er menschen bestaan, daar ze tegen wil en dank mijn levend evenbeeld zijn. Daarom bestaat er voor mij volstrekt geen reden om de overige goden te benijden, indien men in verschillende hoeken der aarde aan verschillende van hen eer bewijst en wel op vaste dagen; zooals op Rhodus aan Phoebus, op Cyprus aan Venus, te Argos4 aan Juno, te Athene aan Minerva, op den Olympus aan Jupiter, te Tarente aan Neptunus, te Lampsacus5 aan Priapus, mits de geheele wereld steeds voortga mij gemeenschappelijke offers te brengen, die ik verre boven de andere verkies.