Note 1 — De Zotheid maakt aanspraak op den lof van verstand.
J. B. Kan translation
Indien men de wijsheid liever in dien zin opvat, dat zij bestaat in een goed oordeel, hoort dan, bid ik u, hoe ver zij daarvan af zijn, die op haar bezit zich verheffen. Vooreerst is het aan geen twijfel onderhevig, dat alle menschelijke zaken altijd, evenals de Silenussen van Alcibiades1, twee maar al te verschillende aangezichten bezitten. Wat uitwendig de dood schijnt, is, als ge ’t meer van binnen bekijkt, het leven: daarentegen wat het leven, de dood: het schoone is leelijk: het rijke straatarm: het beruchte roemvol: het geleerde ongeleerd: het sterke zwak: het edele gemeen: het vroolijke droevig: voorspoed tegenspoed: vriendschap vijandschap: het heilzame schadelijk: in ’t kort ge zult alles eensklaps omgekeerd vinden, als ge een Silenus opent. Mocht dit soms iemand al te wijsgeerig uitgedrukt schijnen, dan wil ik wat plomper zeggen, wat ik bedoel. Wie erkent niet, dat een koning in ’t bezit is van schatten en van heerschappij? En toch, bezit hij geen geestesgoederen, heeft hij nooit genoeg, natuurlijk is hij dan doodarm. Verder, is hij met veel gebreken behept, dan leeft hij in een schandelijke slavernij. Op dezelfde wijze zou men dit ook van alle overigen wijsgeerig kunnen betoogen; ik meen echter met dit enkele voorbeeld te kunnen volstaan. Maar waartoe dit alles? zal iemand zeggen. Hoort, waar wij heen willen. Als iemand den acteurs, als zij op het tooneel bezig zijn te spelen, de maskers trachtte af te rukken en den toeschouwers hun ware en natuurlijke gezichten te laten zien, zou hij niet het geheele stuk bederven en verdienen, dat allen hem, als waanzinnig, met steenen uit den schouwburg verdreven? Plotseling zou zich immers alles geheel anders voordoen: de vrouw van zoo aanstonds b.v. zou een man worden: de jongeling een grijsaard: iemand nog pas te voren een koning eensklaps een gemeene kerel: de God van zooeven zou in een oogenblik als een gewoon menschenkind op het tooneel verschijnen. Maar door die dwaling weg te nemen bederft men het geheele stuk. Juist die vermomming en die opsiering is het, wat de oogen der toeschouwers boeit. Wat is het geheele menschelijke leven toch anders dan een tooneelstuk, waarin allerlei menschen, het gelaat met allerlei maskers bedekt, op de planken komen en ieder zijn rol speelt, totdat de leider hen van het tooneel wegvoert? Deze eischt echter dikwijls, dat dezelfde persoon verschillend uitgedost optreedt, zoodat hij, die in purperen gewaad pas voor een koning gespeeld had, nu als een bedelaar in lompen optreedt. Wel bestaat het geheel slechts uit schaduwbeelden, maar het stuk is nu eenmaal niet anders te spelen. Als me daar nu eens plotseling een wijze uit den hemel kwam vallen en riep, dat hij, tegen wien allen als een God en Heer opzien, zelfs geen mensch is, omdat hij als het vee zich door zijn hartstochten laat medesleepen, maar veeleer een gemeene slaaf, omdat hij uit vrijen wil zich aan zoo’n tal van zulke afschuwelijke meesters onderwerpt: en hij daarentegen een ander, die treurt over den dood zijns vaders, raadt liever te lachen, omdat deze nu eerst begonnen is te leven, daar toch dit leven verder niets anders is dan een soort van dood: hij voorts een derden, die op zijn stamboom stoft, een gemeenen bastaard noemt, omdat er een wijde klove gaapt tusschen hem en de deugd, de eenige bron van adel, en hij op dezelfde wijze maar al doorging—eilieve, zou hij ’t wel verder brengen dan algemeen voor waanzinnig en razend door te gaan?