Note 7 — De Zotheid maakt aanspraak op den lof van verstand.
J. B. Kan translation
Dan de harde rots of ’t starre Parisch marmer7, wien niets ontgaat, die nooit dwaalt, maar als een tweede Lynceus8 alles zonder onderscheid doorziet, elke zaak op een goudschaal weegt en niets vergeeft, die alleen met zichzelf tevreden, alleen rijk, alleen gezond, alleen koning, alleen vrij, kortom alles alleen is9, maar enkel volgens zijn eigen oordeel, die zich om geen vriend bekommert en zelf niemands vriend is, die nooit aarzelt de goden zelf te verwenschen en, wat er ook in ’t leven gebeurt, als onzinnig veroordeelt en belacht. Toch is die volmaakte wijze zulk een schepsel. Eilieve, als de zaak eens bij stemming moest uitgemaakt worden, welke burgerij zou een dergelijk man aan haar hoofd willen hebben of welk leger zou zulk een aanvoerder kiezen? Of om het nog sterker uit te drukken, welke vrouw zou zulk een soort van man, welk gastheer zulk een gast, welke slaaf zou een heer van zulk een karakter óf wenschen óf dulden? Wie zou niet de voorkeur geven zelfs aan den eersten den besten midden uit den grooten hoop der grootste zotten, die als zot over zotten kan heerschen of hun gehoorzamen, die aan zijns gelijken, mits zij maar zooveel mogelijk in aantal zijn, bevalt, die zich vriendelijk gedraagt jegens zijn vrouw, zich aangenaam weet te maken bij zijn vrienden, een prettige gast aan tafel, ten slotte iemand, die meent, dat al wat menschelijk is, ook hem aangaat? Maar ik voor mij heb reeds lang genoeg van zulk een wijze en om die reden is het beter de overige voordeelen te bespreken.