Note 1 — Bijgeloovigen.
J. B. Kan translation
Maar wat vragen de menschen dan toch wel van deze heiligen, dat niet met de zotheid samenhangt? Kom, zeg eens, hebt gij onder zooveel wijgeschenken, waarmee ge de wanden en zelfs de gewelven van sommige kerken bedekt ziet, ooit een van iemand gevonden, die van de zotheid bevrijd was of ook maar een zier wijzer was geworden? De een heeft door zwemmen het lijf gered. Een tweede bracht er het leven af, niettegenstaande hij een gevaarlijke wond van den vijand had ontvangen. Een derde ging op het slagveld, waar zijn makkers streden, dapper op den loop en had het geluk te ontkomen. Een vierde, die aan de galg hing, kwam er af door den een of anderen den dieven gunstigen heilige, om zoo eenige door hun schatten al te bezwaarde lieden nog verder te kunnen ontlasten. Een vijfde wist de deuren van zijn gevangenis open te breken en zich uit de voeten te maken. Een zesde herstelde van de koorts tot grooten spijt van zijn arts. Een zevende nam vergif in, maar dit bezorgde hem een ruime ontlasting, zoodat het hem in plaats van den dood genezing bracht, alles behalve tot genoegen van zijn vrouw1, daar ze nu moeite en kosten voor niets had besteed. Een achtste, wiens wagen omviel, bracht toch zijn paarden ongedeerd naar huis. Een negende werd levend onder de puinhoopen van een ingestort huis weggehaald. Een tiende slaagde er in den echtgenoot te ontkomen, die hem bij zijn vrouw betrapte. Maar nergens vindt men een dankbetuiging voor het verdrijven van zotheid. Zoo zoet is het volslagen gemis van wijsheid, dat de menschen bidden van alles eerder bevrijd te worden dan van de zotheid. Maar wat waag ik mij in dezen Oceaan van bijgeloovigheden?